 |
| Batrachedridae |
 |
 |
|
Van de drie Europese vertegenwoordigers van de Batrachedridae komen er twee soorten in Nederland voor, allemaal afkomstig uit het genus Batrachedra (Herrich-Schäffer 1853). B. pinicolella (Zeller 1839) en B. praeangusta (Haworth 1828) zijn beide twee zeldzame soorten die verspreid over ons land zijn waargenomen.
B. pinicolella kent een meer egaalbruine tot bruingelige voorvleugel, bij B. praeangusta met donkere structuren en vlekken.
Het uiterlijk doet sterk denken aan de grotere soorten uit de Gracillariidae, met hun smalle lange vleugels en de gekrulde palpen. De vleugels ogen in rusthouding spits en smal. Poten korter dan bij Gracillariidae, palpen nadrukkelijker aanwezig, eerste segment sterk ontwikkeld. In rust worden de poten doorgaans naast de voorvleugel gelegd. Bij uitgevouwen vleugels is een duidelijke brede, grijskleurige franje zichtbaar en dit geldt ook voor de ondervleugels. Ondervleugels bij beide soorten grijzig, smal en zeer spits aflopend.
De vlinders vliegen in de zomer en nazomer, de rupsen van B. praeangusta zouden naar Schefer-Immel (1958) leven in de vrouwelijke katjes van wilg (Salix) en populier (Populus), in de periode april-juni, en zij zullen daarna overgaan op de bladeren, levend in een spinsel. Bij B. pinicolella worden er eerst mijnen gemaakt in de uitlopers van den (Pinus sylvestris) van september tot mei, volgroeide rupsen spinnen naalden bijeen (Escherich, 1931).
B. praeangusta (coll/foto: T. Muus)
|
|