 |
| Eriocraniidae |
 |
 |
In Europa is alleen het genus Eriocrania (Zeller, 1851) binnen de Eriocranidae bekend, met enkele wijzigingen in de nomenclatuur is ook Dyseriocrania (Spuler, 1910) en Heringocrania (Kuznetzov, 1941) ingevoerd, als synoniem voor twee soorten van het huidige Eriocrania. Rond de tien soorten zijn uit Europa bekend, zeven soorten zijn vertegenwoordigd in Nederland. De uitwendige bouw komt overeen met de Micropterigidae, alleen kennen Eriocrania's geen banden over de vleugels maar uitsluitend glanzende voorvleugels met bij een aantal soorten een nadrukkelijk witte vlek aan de onderrand van de voorvleugel. De spanwijdte ligt tussen de 9 en 16 mm. De vlinders vliegen vrij vroeg in het jaar, in april en mei, in de schemering en 's nachts en zij komen goed op licht. De vlinders bezitten monddelen in de vorm van kaken waarmee kleine hoeveelheden voedsel wordt opgenomen.
In de namiddag en schemering worden de vlinders wel aangetroffen vliegend rondom bloeiwijzen van eik (Quercus), meidoorn (Crataegus) en jonge loofbomen (zoals vuilboom Rhamnus en berk Betula) waarop de eieren vaak worden afgezet. Dit soort plaatsen fungeren vaak als paringslocaties. De soorten leven als mineerders en maken vlekmijnen op de voornaamste waardplanten berk (Betula) en zomereik (Quercus robur). Deze mijnen zijn erg lastig van elkaar te onderscheiden, evenals de rupsen zelf.
|
|


Figuren
1. Heringocrania unimaculella
(foto: team Microlepidoptera.nl / © Naturalis).
2. Dyseriocrania subpurpurella (coll/foto: T. Muus)
3. Eriocrania semipurpurella mijn (coll/foto: T. Muus)
|

Vleugeladersysteem bij Dyseriocrania.
Gespecificeerde literatuur
Heath, J., 1983. Eriocraniiae. In: Heath, J. (ed). The Moths and Butterflies of Great Britain and Ireland. Volume 1. Micropterigidae to Heliozelidae. – 344 pp.; Colchester (Harley Books).: p. 157-165.
Hering, M., 1957. Bestimmungstabellen der Blattminen von Europa 1-3. - s' Gravenhage, Junk, 1185 pp.
|
|