 |
| Gracillariidae |
 |
 |

Het aantal soorten binnen de Gracillariidae of mineermotten is constant in beweging, met op dit moment 230 soorten in Europa en bijna 100 soorten zijn inheems bekend. De familie kent drie subfamilies, Gracillariinae (grotere vlinders met lange poten, smalle en lange vleugels), Lithocolletinae (bonte vleugels met zilverachtige tekening, spanwijdte 4-6 mm) en Phyllocnistinae (meer wittere vlinders, met nadrukkelijke zwarte punt bij de apex). Binnen de Lithocolletinae is het genus Phyllonorycter (Hübner, 1822) dominant. De eerstgenoemde subfamilie is bijzonder door de aparte levenswijze van de rups en vlinders.
De rups leeft eerst in een beginmijn in de vorm van een vlek- of gangmijn, vervolgens maakt deze een of meerdere bladrollen waarin de rups leeft. De verpopping vindt soms plaats in deze bladrol, soms ook daarbuiten. De vlinders overwinteren. Soorten binnen de Lithocolletinae maken eerder bladvouwen, zogenaamde vouwmijnen. De rups verpopt ook in deze mijn en overwintert. De vlinders verschijnen normaliter weer in het voorjaar, echter zijn er ook soorten als Phyllonorycter robiniella (Clemens, 1859) die overwinteren als vlinder. De laatste subfamilie Lithocolletinae maakt aparte gangen aan de bovenepidermis van het blad, meestal dicht tegen de hoofdnerf. Hierdoor ontstaan wat glanzende mijnen die soms eerder doen denken aan kleine slakkensporen, zoals bij Phyllocnistis unipunctella (Stephens, 1834). De rupsen verpoppen uiteindelijk meestal in een deels omgevouwen bladrand.
|
 |



Figuren
1. Caloptilia rufipennella (coll/foto: T. Muus)
2. Phyllonorycter strigulatella (foto: A. Baas / © Naturalis).
3. Caloptilia betulicola (foto: T. Muus). |
|
|