Driëenveertig soorten in Europa, vijftien in Nederland. De familie is opgesplitst in twee subfamilies, de Ypsolophinae en Ochsen- heimeriinae. De eerste familie wordt gekenmerkt door vlinders met een aparte vleugelvorm en spitse, vooruitstekende labiale palpen. De proboscis is goed ontwikkeld. In rust worden de voelsprieten vooruit gestoken.
De rupsen leven op verschillende loof- en fruitbomen (ook enkele struiken zoals kamperfoelie (Lonicera)), waarnaar de rupsen verpoppen in een dergelijk hangmatcocon waarbij elke kant van de cocon aan een bladdeel wordt vastgesponnen. De rupsen kenmerken zich door de twee ver uit elkaar staande naschuivers.
Ochsenheimeriinae is een subfamilie met eveneens erg kenmerkende vlinders, de vlinders hebben donkere, brede, vleugels met grove schubben, korte voelsprieten met nadrukkelijke beschubbing op de eerste helft. In rust worden de vleugels wat omgerold. De rupsen van deze soorten leven in de stengels van lage planten zoals grassen (Poaceae, Gramineae).
|