Het vlinderlichaam bestaat uit kop, thorax (middelstuk) en abdomen (achterlijf). De thorax bestaat uit drie belangrijke delen, het voorste deel genaamd mesothorax en het achterste deel metathorax, aan weerszijden van de mesothorax liggen twee schelpvormige structuren, tegula genaamd.
Onder de tegula ligt de aanhechting voor de voorvleugel, met name zorgt deze tegula dat de warmte tijdig efficiënt kan worden opgeslagen.
De kop is een van de meest uitwendig ingewikkeld lijkende onderdelen van het lichaam, het bezit bij een selectief aantal soorten een gehooringang, altijd antennen (antenna, mv. antennae), roltong, palpen en ogen. Met name spelen deze palpen een grote rol bij de herkenning van soorten en families, doordat deze palpen, bijna altijd bestaande uit drie segmenten, verschillende vormen en kleuren kennen. Daarnaast zijn de antennen soms kenmerkend, die een eigen structuur kennen met soms dicht bij de basis van de antenne met een verdikking van schubben, zoals bij Phycita roborella (Pyralidae) op de plaats van de schaft (figuur 1, verdikking ontbreekt hier).
De ogen of facetogen bestaan uit vele kleine oogjes, zij dragen ook wel de naam ocelli. Boven deze ogen bevinden zich soms nog haarborstel zoals bij Bucculatrix (Bucculatricidae) of een sterk beschubde oogklep bij Opostega salaciella (Opostegidae).
De abdomen, bestaande uit doorgaans tien segmenten, is een complex en erg belangrijk deel van het lichaam. In het uiterste deel van het lichaam ligt het copulatieapparaat, genitaliën (genitalia). Per familie en genera zijn deze genitalia vaak zeer verschillend en door deze genitalia op een uitvoerige manier te kunnen uitprepareren kan gelet worden op de opbouw van de genitaliabouw en structuren. De genitalia zijn per soort identiek en dus kan het onderscheid, ook bij afgevlogen exemplaren kunnen worden gevonden en uiteindelijk resulteert de determinatie vaak in succes.
|