biologie & onderzoek | stadia | overwintering | communicatie | migratie
| onderzoeksgeschiedenis
Van paring tot eiafzetting
De levenscyclus van de soort begint als het ware als de eieren (enkelvoud ovo of ovum meervoud ovae) bevrucht worden.
Het is doorgaans de levensstrategie van de vrouwelijke vlinder om vlak na het uitkomen feromonen (sekslokstoffen) te produceren om het mannetje te lokken. Bij sommige soorten zoals bij Dasystoma salicella (Chimabachidae) zijn na enige tijd deze lokstoffen al op honderden meters afstand door de mannetjes te onderscheppen. In het geval van het mannetje gaat deze direct op zoek naar het maagdelijke wijfje voor de paring. De feromonen die de soort uitscheidt is soortspecifiek.
Mannetjes hebben doorgaans wat beter ontwikkelde en daardoor bredere voelsprieten
met een speciaal reuksysteem. Vrouwelijke vlinders hoeven namelijk niet af te gaan op feromonen, het systeem wordt wel gebruikt om bijvoorbeeld voedsel te detecteren waarbij hierna de poten er voor zorgen dat de vlinder in staat is om te proeven.
Het uitkomen van vlinders gebeurd vooral in de vroege ochtend bij bijvoorbeeld Diurnea fagella (Chimabachidae) die dan in hoge aantallen op de bomen te vinden is, maar de meeste soorten komen in het begin van de avond uit de pop. Het is dan ook niet opmerkelijk dat vooral in de schemering veel soorten al zoekend langs vegetatie te vinden zijn. Iemand die enige ervaring heeft met micro's, die kent daarbij de techniek slepen - waarbij vooral in de schemering door sleeptechnieken deze zoekende vlinders worden gevangen. De meeste soorten kunt u dan ook aantreffen op dat tijdstip. In de periode mei-juni kunt u hier vele soorten Gracillariidae en Incurvariidae simpel verzamelen.
Op het moment dat beide seksen elkaar ontmoeten worden beide achterlijven gekoppeld. De vlinders kennen achteraan een structuur wat we genitalia noemen. Bij het wijfje ligt deze genitalia dieper in het lichaam, bij het mannetje is deze deels uitwendig. De zogenaamde valven, soms voor de handigheid ook wel 'klepjes' te noemen zijn erg karakteristiek voor het mannelijk geslacht. Zij hebben de functie om extra houvast te bieden bij de paring, maar geven deze extra bescherming voor het mannelijke geslachtsorgaan. De meeste mannetjes kunnen meerdere malen paren, bij enkele soorten leven de mannetjes kort zoals bij Acentria ephemerella (Crambidae) en dus paren deze meestal maar eenmalig. Bij de paring worden de mannelijke zaadcellen opgeslagen in een daarvoor bestemd zaadreservoir (receptaculum seminis) waarbij elk ei individueel wordt bevrucht.
Uiteindelijk worden de eieren afgezet, de eieren verlaten de ovaria via de eileider, en gaan dan naar de ovipositor. Deze ovipositor of legbuis is bij sommige soorten opvallend lang. Dit verschijnsel komt vooral voor bij soorten die leven op hout en waterplanten. Bij bijvoorbeeld Oecophoridae is er een legbuis aanwezig waarbij de eieren in kleinere kieren in rottend hout kunnen worden afgezet.
De eieren van vlinders kennen een groot aantal vormen. Bij Nepticulidae zijn deze wat ovaal en toch wel fors, als men kijkt naar het formaat van de vlinder. Wat grotere soorten zoals Elachistidae en Coleophoridae hebben weer wat afgeplatte eitjes die structuren kennen op de eischaal of chorion. Deze eitjes worden nadrukkelijk tegen de waardplant aangeplakt en bij sommige soorten worden de eieren ook gedeeltelijk in de bladlaag gedrukt. Binnen de families Tortricidae en Crambidae zijn er talloze soorten die een duidelijke geleiachtige laag over deze eitjes vloeien, waardoor deze eiafzettingen op de waardplant bijna niet meer opvallen. Dit fenomeen zien we vooral bij soorten Crambus, Evergestis en Cynaeda dentalis (Crambidae).

Figuur 1. Eiafzetting van Acentria ephemerella, Crambidae (foto: T. Muus).
De eieren kennen nog een belangrijke opening, het zogenaamde micropyle. Vlak voor de afzetting wordt het eitje bevrucht via deze micropyle. Rondom deze micropyle ligt het micropylair veld, een soms donkere zone die bij grotere nachtvlinders echter erg nadrukkelijk aanwezig kan zijn.
Bij de afzetting worden soms meerdere eitjes tegelijk afgezet, maar toch zetten de meeste soorten hun eieren individueel af. Soms 1 á 2 eieren per blad, we kunnen vooral merken dat minerende vlinders er bewust voor kiezen om maar één ei per blad af te zetten, op sommige struiken zit op elk blad dan uiteindelijk wel een mijn of vraatspoor met een rups. Wijfjes van Yponomeuta's (Yponomeutidae) en Gracillaria syringella (Gracillariidae) zetten vaak groepen eieren af, waarbij deze rupsen later in sociaal verband samenleven in een mijn of spinsel.
Bij enkele soorten overwinteren de eieren, waarbij het ei-stadium dus opvallend lang duurt. De ontwikkeling van de meeste eieren neemt ongeveer anderhalve week in beslag.
Rupsenstadia
Na een voorspoedige ontwikkeling van de rups in het ei verlaat deze uiteindelijk het ei. Gezien het feit dat de monddelen (kaken of mandibels) nog niet direct volhard zijn wordt voedsel opgenomen door een deel van de eiwitrijke eischaal aan te knagen.
In dit eerste stadium van ontwikkeling doen zich meteen al moeilijkheden voor. Jonge rupsen krijgen te maken met vochtdruppels en onderdelen van de waardplant: beharing en sappen. Ook zijn rupsen selectief, zij kiezen de juiste plant en letten daarbij op temperatuur, de hoeveelheid licht, de vochtigheid en aanwezigheid van andere organismen in de omgeving die aanleiding kunnen geven voor 'stress' en overbevolking. De rupsen zijn dan vrij mobiel en verplaatsen zich dan soms via spinseldraden in de wind naar andere planten.
Vrij spoedig gaan rupsen over op het zoeken naar een plaats waar zij zich de komende tijd zullen vestigen. Microlepidoptera kennen een groot aantal levenswijzen, met verschillen in tijdsbestek en de plaats waar de rupsen leven. Overwegend de meeste soorten leven van bladmateriaal, minerend of vrij op het blad en dan vaak in een spinsel. Zij leven dan solidair (sociaal) of solitair. Typerende soorten die leven in groepsverband zijn de stippelmotten Yponomeuta (Yponomeutidae) of Harpella forficella (Oecophoridae).
Op basis van levenswijzen valt moeilijk op te maken of iets wel of niet toonaangevend is voor een bepaalde familie. Binnen elke familie zijn er diverse soorten die een totaal andere levensstijl hebben dan wat wederom gebruikelijk zou zijn. Vooral de lichaamsbouw van rupsen kan belangrijk zijn bij het herkennen van rupsen uit bepaalde families of genera.
De bouw van rupsen is doorslaggevend, eveneens het gedrag moet men in de gaten houden. Rupsen van microlepidoptera onderscheiden zich van macrolepidoptera door hun snelle behendige gedrag en het in snel tempo achteruit lopen. De vorm en het formaat van de kop, de lengte van het lichaam met eventuele wratten en beharing, anaal schild en vorm van de anale poten of naschuivers kunnen verschillen per familie. Ypsolophidae hebben zo anale poten die zich sterk versmallen naar het einde toe en sterk naar achteren gericht worden. Bij Gelechiidae en Tortricidae speelt de tint, vorm en aanwezigheid van de kop, nekschild en anale schild (of plaat) een rol in de herkenning.
Zelfs wanneer rupsen onmogelijk van elkaar te onderscheiden lijken te zijn, dan zijn er nog verschillen. De manier waarop de beharing (setae) en structuren in de huid zichtbaar zijn kan men op letten. Deze manier van 'inzoomen' op de kleine morfologische details noemt men wel chaetotaxy.
We verwijzen u naar Morfologie waar dieper ingegaan wordt op de lichaamsbouw.
Elders bij Educatie zijn al een reeks voorbeelden aan levenswijzen aan bod gekomen, we komen hier nu kort op terug.

Figuur 2. Jonge rups van Paraswammerdamia nebulella, Yponomeutidae, in spinsel (foto: T. Muus).
Per genera en/of soort zijn er weer andere levenswijzen, die kunnen helpen bij het op naam brengen van soorten. Toch zijn veel levenswijzen nog niet volledig beschreven. Het zijn vooral mineerders waar veel van bekend is, maar ook op blad levende Tortricidae werden eerder al nauwkeurig beschreven door bijvoorbeeld Swatschek en Kuznetzov. Het zijn vooral de soorten die leven in lagere delen van de plant (wortels), op grassen en in hout waar minder van bekend is. Zeer niet voor de hand liggende levenswijzen zijn bijvoorbeeld de rupsen van Acentria ephemerella (Crambidae) waarvan bekend is dat ze onder water leven. Enkele voorbeelden van algemeen voorkomende levenswijzen zijn hieronder opgesomd.
- Dode resten van planten en algen
- Dode dierlijke resten
- Op bladeren, minerend
- Op bladeren, in spinsel
- Op bladeren, samengevouwen of ingerold
- In gallen van bijv. Hymenoptera
- In takken of twijgen (met uitkruipgat of galvorming)
- In bloemen, knoppen en jonge uitlopers
- In vruchten en zaden (bijv. appels of sparrekegels)
- In dood hout
- In paddestoelen
- In de grond, in spinsels in of om wortels
- In honingraten