Snel zoeken
 
  Introductie  
    Microlepidoptera
    Macrolepidoptera
  Kleine vlinders  
    Over de families
    Biologie
    Vijanden
    Morfologie
  Praktijk  
    Verwarringen
    Kweekmethoden
    Veldwerk
    Prepareren
    Determineren
    Waarnemen
    Beheer en behoud
Systematiek
    Taxonomie
    Phylogenie
    Afkortingen
    Nederlandse namen
 
Microlepidoptera.nl > Educatie > Vijanden  
   
VijandenKees van Achterberg & Tymo Muus


Vlinderpopulaties kennen elk een verschillende omvang, bepaalde soorten komen uitsluitend voor in een specifiek biotoop, andere soorten zijn wijdverbreid en komen overal voor. De oorsprong tussen deze verschillen liggen zeer breed. De biotoop zelf heeft een groot invloed op de diversiteit van vlinders in dat gebied, de natuurlijke- en menselijke invloeden spelen hier eveneens een grote rol in. Bepaalde biotopen worden vaak zonder bewuste redenen bewerkt doordat er in de nabije omgeving sterke agrarische activiteiten plaatsvinden, oude bomen worden door de mens gekapt (de macro Drymonia querna D & S en soorten binnen de Oecophoridae hebben hier baat bij) en kruidenrijke bermen worden in sommige jaren te intensief gemaaid.
Natuurlijke invloeden zoals de recente veranderingen in het klimaat kunnen soortpopulaties verstoren, waarbij soorten verdwijnen, maar ook nieuwe soorten zich weten te vestigen. Andere organismen, zoals de bekende parasitoïden spelen een rol bij het regulieren van toe- en afname van soorten in bepaalde jaren.

Elke vlinder heeft zijn natuurlijke vijanden. Niet alleen de vlinder en rups hebben vijanden, maar ook de pop en de eilegsels. De weersomstandigheden, met name de temperatuur kunnen veel invloed hebben op de populaties.
Overwinterende eieren komen bij warm winterweer sneller tot ontwikkeling en meestal komt de echte winter pas later. Wanneer deze pas ontwikkelde rupsen in diapauze te maken krijgen met een lange vorstperiode, dan kan dit fataal zijn. Ook kunnen rupsen eerder tevoorschijn komen terwijl de vegetatie nog niet ontwikkeld is.

Parasitoïden

De meest bekende vijanden van de rups behoren tot de Hymenoptera (vliesvleugeligen), namelijk de sluipwespen. Deze sluipvliegen zetten hun eieren af op de rupsen, vaak in de buurt waar de huid het dunst is of bij openingen. Uit eigen onderzoek is gebleken dat de meeste eieren afgezet worden in de nek, maar ook bij de ademhalingsopeningen. Bij sluipwespen zoals van de familie van de Ichneumonidae of Gewone sluipwespen is er een duidelijke legboor aanwezig waarbij de eieren op of in de huid worden afgezet. De eieren zitten met een dergelijk weerhaakje vast in de huid dat de rups deze zelf niet kan verwijderen. Vooraf wordt het oppervlak nauwkeurig geïnspecteerd door de "ouderlijke" sluipwesp.
Een grote groep (vooral Braconidae of Schildwespen) leggen de eieren in rups, vaak in het vetlichaam, maar soms in de zenuwknopen.
De eieren zitten met een dergelijk weerhaakje vast in de huid zodat de rups deze zelf niet kan verwijderen. Vooraf wordt het oppervlak nauwkeurig geinspecteerd door de "ouderlijke" sluipwesp.
Het moment waarop de larve uit het ei komt is verschillend. De larven voeden zich met de inwendige organen van hun gastheer. Uiteindelijk blijft er weinig meer van de rups over, waarbij we kunnen spreken van predatie in plaats van parasitisme. Enkele soorten overwinteren gelijktijdig met de gastheer en verlaten deze vlak na de winter. Hierna volgt de verpopping in een stevige cocon, enkele soorten verpoppen in het lichaam van hun gastheer of weer andere soorten buiten het rupsen- lichaam. Men onderscheidt hierbij de volgende soorten parasitoïden: solitair (één ei per gastheer) en gregair (meer eieren); endo (de larve leeft in de gastheer) en
 

Figuur 1. Phaenocarpa ruficeps, Braconide (foto: A. Baas).

ecto (op de gastheer); idiobiont (de ontwikkeling van de gastheer stopt) en koinobiont (de ontwikkeling gaat door). Het komt ook voor dat deze sluipwespen weer geparasiteerd worden, door een aantal soorten uit de familie Chalcidoidea, genaamd hyperparasitoiden. Deze kenmerken zich door hun kleine formaat en meestal kortere en bredere voelsprieten. Alsof dit nog niet merkwaardig genoeg is, zijn er ook de ei-parasieten. Verschillende van deze parasitoïden (bekende families Mymaridae, Scelionidae en Trichogrammatidae) leven als larve in het ei van insecten, en behoren daarmee tot de kleinste wespen.
Een soort uit een heel andere insectenfamilie kan ook een bedreiging vormen voor vlindereieren. De larven van het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyrides) zorgen soms voor predatie.

Andere vliegparasieten

Andere bekende parasieten zijn mijten en vleesmuggen (Tachinidae). Een bekende soort uit deze laatste groep is wellicht Compsilura concinnata. Enkele jaren geleden zijn meerdere rupsen van Arctia caja uit het Fochteloërveen meegenomen. Opmerkelijk was het verschijnsel dat meer dan 80% van de rupsen geparasiteerd bleek te zijn door C. concinnata. In het voorjaar van 2006 zijn opnieuw een aantal rupsen meegenomen, met 70% sterfte door dezelfde dader. Het is duidelijk dat deze soort alleen schadelijk is voor enkele macro's met name uit de families Arctiidae en Lasiocampidae. Micro's hebben doorgaans opvallend weinig last van deze parasieten, ook vanwege het grote formaat van de parasietvliegen.
Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mogelijk de verborgen levenswijze in tegenstelling tot de macro's die 's nachts erg actief zijn. De meeste sluipwespen worden ook in de nacht waargenomen, en komen ook goed op licht tijdens nachtvlinderinventarisaties. De soorten micro's die tijdens kweeksessies geparasiteerd waren leefden tamelijk opvallend in spinsels of samengesponnen bladeren. Met name de Crambidae (voorbeeld Eurrhypara hortulata) en Tortricidae. De daders zijn meestal afkomstig uit de familie Eulophidae. Uit andere families vallen er ook vele slachtoffers, zelfs mineerders worden met regelmaat geparasiteerd. Echter een groot percentage van de mineerders wordt geparasiteerd door de kleinere vertegenwoordigers uit de Braconidae.

Een bewerkte sleutel voor de Hymenoptera-parasieten naar Shaw & Askew (1983).

1
Een paar vliesachtige vleugels, de antennen zijn kort, bestaande uit drie segmenten en onopvallend; thorax en abdomen zijn nadrukkelijk van elkaar te onderscheiden. Tweevleugeligen (Diptera) ..... Tachinidae
-
Twee paar of vliesachtige vleugels, bijna altijd verbonden door een rij van kleine weerhaken aan de voorste marge van de achtervleugel, of vleugelloos; antennen met minstens vijf segmenten, vaak meer; het eerste segmenten of abdomen (propodeum) verbonden met de thorax en het tweede segment is versmalt (petiole). Parasitaire Hymenoptera ..... 2
2(1)
Antennen bestaande uit 14 segmenten of meer, complexe nervatuur, waaronder complete cellen aangrenzend met de aders op de voorvleugels, of vleugelloos (Ichneumonoidea) ..... 3
-
Antennen van praktisch 13 segmenten; nervatuur van de voorvleugels zijn erg gereduceerd or ontbreken, geen aangrenzende ader-cel aanwezig, or vleugelloos ..... 4
3(2)
Voorvleugel met tweede herhaalde ader ontbrekend; eerste en tweede laatste thoraxsegmenten vormen één geheel en zijn verstijfd ..... Braconidae
-
Voorvleugel met tweede herhaalde ader aanwezig, of vleugelloos; eerste en tweede laatste thoraxsegmenten losstaand ..... Ichneumonidae
4(2)
Gaster (post-propodeale deel van de abdomen) met enkele parallel staande, longitudinale groeven richting de basis; apicale uitsteeksels aan het eerste deel van de tibia is groot en in twee delen; ovipositor apicaal; antennen zonder anelli tussen het eerste segment (pedicel) en meer distale segmenten (Proctotrupoidea) .....
Scelionidae
-
Gaster zonder basale longitudinale groeve; het apicale uitsteeksel aan de voorkant van de tibia is niet bestaande uit twee delen; ovipositor (of legboor) komt niet uit voor de apex of de abdomen; antennen normaliter met ringsegmenten (Chalcidoidea) ..... 5
5(4) Antennen zonder ringsegmenten, ver uitstaande aan het begin en dichterbij de binnenste marge van de ogen; vleugels zijn erg lang en smal, de achtervleugel spits en rond, met nadrukkelijke franjezoom; marginale ader is kort, stgmale ader is rudimentair ..... Mymaridae
-
Antennen met ringsegmenten samengevoegd (uitgezonderd Encyrtidae); de vleugels zijn verschillend van vorm ..... 6
6(5)
Tarsi (enkelvoud tarsus) bestaat uit drie segmenten; voorvleugel met beharing vaak verspreid in lijnen vanaf de basis; antennen kort, bestaande uit acht of minder segmenten ..... Trichogrammatidae
-
Tarsi bestaande uit vier of vijf segmenten; voorvleugel is anders; antennen bestaande uit minimaal negen segmenten ..... 7
7(6)
Laatste coxa erg groot en wat triangelvormig; laatste tibia met wervelachtige structuren in ruitachtige patronen; lichaam zwart en zonder metalic glans; mannelijke antennen met vertakkingen ..... Elasmidae
-
Laatste coxa niet uitzonderlijk fors, or (Torymidae) het lichaam groenig met metalic glans; nervatuur op de achterste tibia niet in ruitachtige patronen; mannelijke antennen zonder vertakkingen ..... 8
8(7)
Tarsi bestaande uit vier segmenten; mannelijke antennen soms vertakt ..... Eulophidae
-
Tarsi bestaande uit vijf segmenten; mannelijke antennen nooit vertakt ..... 9
9(8)
Mesoscutum zonder nerven (notauli) die de zijlobben zouden scheiden; antennen zonder ringsegmenten; uitsteeksel op middelste tibia is lang .. Encyrtidae
-
Mesoscutum met nerven die de zijlobben compleet of in ieder geval opvallend; antennen met ringsegmenten; uitsteeksel op de middelste tibia is vaak korter ..... 10
10(9)

Laatste coxa is ongeveer drie keer zo lang als de eerste coxa; vrouwelijke ovipositor is lang en steekt ver uit langs de apex of gaster ..... Torymidae

-
Laatste coxa is relatief korter; vrouwelijke ovipositor steekt doorgaans niet verder dan de apex of gaster uit ..... 11
11(10)
Antennen met twee of drie ringsegmenten in opvolging van brede segmenten (En: funicle) van vijf of zes segmenten voor het einde ..... Pteromalidae
-
Antennen met één ringsegment in opvolging van brede antennesegmenten van zeve stuks voor het einde ..... 12
12(11)
Het lijf is smal toegespitst; mesoscutum is gedeeltelijk neergedrukt, met vage nerven; basale tarsale segment en uitsteeksel op de tibia van de middelste poot is vergroot ..... Eupelmidae
- Lichaam fors; thorax kort en diep met mesoscutum tussen de zijlobben gerond, sterk verspreide structuren; basale atarsal segment en uitsteeksel op de tibia van de middelste poot is niet vergroot ..... Perilampidae
Opm.
Laatste coxa = Coxa van de achterpoot.


Aanbevolen is om sluipwespen te bewaren voor determinatie, met bijbehorende gegevens (datum en vindplaats). Wanneer het exemplaar afkomstig is uit kweek, dan is het belangrijk de gastheer te achterhalen zodat er uiteindelijk ook een overzicht is van de Lepidoptera en hun parasitoïden.
De informatie over levenswijzen en gastheren van parasitaire wespen is vaak gering. Nog steeds worden regelmatig nieuwe soorten beschreven doordat zij gebonden zijn aan rupsen die een onopvallende levenswijze kennen. Het is daarom belangrijk materiaal te bewaren voor (vervolg)onderzoek.


Figuur 2. Sluipwesp bij cocon van Swammerdamia caesiella, Yponomeutidae (foto: T. Muus).

Schimmels, mijten en grotere organismen

Met name de ondergrondse poppen en rupsen komen soms in aanraking met het mycelia van schimmels. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de groep zwammen uit het genus Cordyceps (Ascomycota). Uit Nederland kennen we uit dit genus acht soorten. Ook zijn er bacteriële virussen, vooral in het rupsenstadium. Rupsen kunnen dan slapjes aan een tak hangen of kleuren bruin.

Vogels voeden hun nakomelingen graag rupsen. Sprinkhanen, mieren en verschillende spinnen zijn ook bekende vijanden. Als adult zijn vleermuizen grote predatoren, met daarnaast de gevreesde spinnenwebben, vogels, libellen etc.

Wanneer rupsen in gevangenschap worden opgekweekt dan kunnen mijten een rol spelen als parasiet. Mijten (Acarida, onderorde v. Arachnida) komen bij adulte vlinders, poppen en rupsen voor. Ze zijn minder schadelijk en komen vooral veel voor op warme en vochtige plekken. Jonge exemplaren kunnen via de ademhalingsopeningen voor aantastingen zorgen. De mijten voeden zich met voedingsstoffen in de bovenste laag van de rupsenhuid waaraan de rups langzamerhand steeds kwetsbaarder kan worden voor ziekten.


Figuur 3. De eikenroofvlieg (Neoitamus cyanurus)
en de predatie van Olethreutes arcuella,
een bladroller
(foto: A. Baas).


 
    © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers