www.microlepidoptera.nl
 
Zoek soort...  

 



Bijzondere technieken

   ALLES OVER GENITAALPREPAREREN

 

Wereldwijd worden preparaten gemaakt van insecten, maar wat is daar zo belangrijk aan?
Stelt u zich eens voor: toen Carolus Linnaeus in het verre verleden (vooral in en rond 1758) soorten beschreef en classificeerde voor zijn belangrijkste boekwerk “Systema Naturae” gebeurde dit op basis van uiterlijke kenmerken. Er waren toen tientallen soorten uit bijvoorbeeld de hedendaagse familie Gelechiidae, die allemaal in het genus Phalaena (officiële Noord-Europese schrijfwijze Phalæna) of Tinea geplaatst werden.
Maar onthoud goed: voor de micro's waren er amper families, de belangrijkste was de Tineina, en de Gelechiidae als familie volgde pas na de introductie door Henry Stainton in 1854. Er werden meer soorten beschreven, de tientallen uit de tijd van Linnaeus werden er nu honderden.

Het ordenen van soorten werd lastig, dus werden steeds meer families geïntroduceerd. Uiteindelijk waren er al tientallen families, maar het onderscheid was lastig. Oecophoridae werden zo bijvoorbeeld veelal tot de Gelechiidae gerekend, omdat ze qua uiterlijk ook duidelijke sikkelvormige palpen bezaten. Later werden ook de aders van de vleugels als kenmerk gezien.

De discussies rond de helft van de 19 e eeuw werden groter toen families en soorten geordend werden, want elke entomoloog had zijn eigen mening over een soort. Toen de entomoloog in staat was om een goede binoculair aan te schaffen werd meer mogelijk. Waarschijnlijk werden de eerste preparaten gemaakt rond 1835, en na de eerste hints van entomologen gingen ook tal van bekende als minder bekende vlinderaars er mee aan de slag. Men kwam er achter, dat in de gesclerotiseerde binnenzijde van het insect kenmerken verborgen zaten die uniek waren voor een soort. Het genitaal: de geslachtsorganen van het insect, was de sleutel tot herkenning. De geslachtsorganen zijn te vinden in het laatste segment van een insect, bij vlinders pakweg het uiterste ‘puntje' van het achterlijf of abdomen. Pas vanaf 1910 kwamen de echte concrete onderzoeken naar de genitaliën van insecten van de grond. Er verschenen publicaties, waarbij ook tal van nieuwe soorten beschreven werden. Als voorbeeld: onder één variabele soort schenen toen meerdere soorten schuil te gaan.

Wat was er zo belangrijk aan de genitaliën? Door de kenmerken van genitaliën te analyseren kunt u moeilijk van elkaar te onderscheiden soorten scheiden, maar ook zijn er tegenwoordig goede kenmerken van een bepaalde familie. Sommige onderdelen aan het genitaal zijn afwezig bij een bepaalde familie. Op deze wijze zijn menig soorten uitgeprepareerd en opnieuw beoordeeld. Onder meer bleken zo soorten tóch tot één soort te behoren, en moesten namen worden gesynonimiseerd waarbij het eerst beschreven exemplaar de basis was voor die soort. Door afspraken en ordening op mondiale schaal is vanaf de jaren 1980 nu een veel betere ordening.

Genitaalpreparaten in Nederland

Lang niet iedereen maakt genitaalpreparaten, bovendien is het soms de vraag of preparaten goed worden vervaardigd. Een ruwe schatting zegt dat een magere 5% van de serieuze nachtvlinderaars in staat is dergelijke preparaten te maken, waarvan een ruime 30% ook vlinders bewaart voor collectiedoeleinden. Vroeger was dit percentage hoger, maar de digitale fotografie eist haar tol. Over het algemeen heeft coaching er toe geleid dat meer mensen zich gaan bezighouden met deze prepareermethode. Het is natuurlijk belangrijk dat ook nieuwe generaties kennis maken met het vervaardigen van preparaten, zodat het tempo van determinaties omhoog gaat en ook meer gegevens gecheckt worden op betrouwbaarheid.

Topografie van de genitaliën

Mannelijke genitalia

De mannelijke genitalia worden gevormd door het negende en tiende segment van het achterlijf. Dorsaal van het lichaam bevindt zich een kapvormige structuur, de tegumen genaamd. Meestal is de tegumen voorzien van een uncus. Aan de basis van deze uncus kan een gepaard, meestal sterk behaard orgaan voorkomen: de socius (mv. socii). Onder de socii bevindt zich de gnathos, eveneens een gepaard orgaan, dat evenwel in sommige gevallen kan vergroeid zijn tot één structuur, zoals bij Agonopterix (Oecophoridae), als afgebeeld. De beide zijkanten van het tegumen zijn verbonden met het vinculum, een U-vormige band, gevormd door de negende sterniet. Het vinculum draagt soms een kort of lang, buisvormig aanhangsel: de saccus. Een vlies sluit het achtereinde van het abdomen af. Het is verbonden met het tegumen, het vinculum en de valven. Soms draagt dit vlies (het diafragma) versterkende chitinedelen. Zijwaarts van de ring gevormd door het tegumen en het vinculum bevinden zich de valven. In sommige gevallen zijn deze vrij eenvoudig gevormd, maar meestal bezit een valve een hele reeks insnijdingen, uitstulpingen en aanhangsels die de meest uiteenlopende namen dragen (zoals afgebeeld, fig. 1., digitus, clavus etc.). De drie namen die men meestal tegenkomt zijn de costa, apex en sacculus. De penis is omringd door een chitinebuis, de aedaegus. Aan de penis hangt de weke, uitstulpbare vesica, die dikwijls karakterisieke chitinedeeltjes draagt: de cornuti (ev. cornutus). In de meeste preparaten zit de vesica in de aedoeagus, al kan het voorkomen dat hij uitgestulpt werd. Bij de paring breken dergelijke chitinedeeltjes wel af, maar restanten zijn vaak nog goed zichtbaar. Ook op de aedaegus zelf kunnen chitineplaatjes voorkomen die belangrijk zijn voor de determinatie.

Vrouwelijke genitalia

Aan het uiteinde van het abdomen ziet men twee lamellen (de papillae anales) die samen de legbuis (ovipositor) vormen. Deze lamellen dragen de naam anapophyse. De tergiet van het achste segment noemen we wel de postapophyse. De onderlinge lengte van deze aanhangsels kan dikwijls gebruikt worden bij het determineren. Het ostium bursae is de genitaalopening waarlangs het wijfje wordt bevrucht. Het geeft toegang tot de bursahals (ductus bursae) en die leidt tot in de corpus bursae, een zakvormige chitinestructuur, dikwijls gewoon bursa genoemd. Deze bursa kan soms aanhangsels hebben en is in vele gevallen voorzien van sterk gechitineerde plaatjes, tandjes of doorntjes. Zij vormen het signum (mv. signa). Vanuit het corpus bursae, maar meestal vanuit de ductus bursae, vertrekt de ductus seminalis, een vrij zwak gechitiniseerd kanaaltje. Ook hierin kunnen zich gechitineerde structuren bevinden die belangrijk zijn voor de determinatie. Hoofdzakelijk is het belangrijk om te letten op van welke plaats deze ductus seminalis vertrekt. Rond het ostium bursae komen in vele gevallen de meeste uiteenlopende chitinestructuren voor, die meestal aangeduid worden met de namen: genitaalplaatjes of sterigma.

Problemen bij genitaalpreparaten

Het prepareren wordt vaak als moeilijk beschouwd. Ervaring leert dat de bekwame preparateur nogal strenge eisen stelt over de materialen en technieken, die soms tamelijk worden opgeblazen. De techniek is vrij eenvoudig, en zelfs met eenvoudige methodieken is veel mogelijk. Het zal echter wel dertig preparaten duren, voordat problemen verdwijnen.

Veelvoorkomende beginnersproblemen in kaart gebracht:
- Slechte belichting van de binoculair.
- Het mannelijk genitaal bevat ‘valven' of grote ‘flappen' die in aldoor terugvouwen.
- Het vrouwelijk genitaal heeft een ductus bursa en bursa copulatrix die té doorzichtig zijn, en per ongeluk afbreken (erg doorzichtig: bij Elachistidae).
- Te veel lijm op het preparatieglaasje, waardoor het dekglaasje een dikke lijmrand krijgt.
- Het preparaat drijft op de kop als het dekglaasje er op gelegd wordt.
- Bellen in de lijm, vaak door te veel lucht in het preparaat of het dekglas wordt er recht in plaats van scheef op gelegd, of door gebruik van water.
- Er wordt te veel kleurstof aangebracht, waardoor kenmerken verdwijnen en kleurstof wil niet verdwijnen.
- Te veel beharing blijft achter en de KOH lijkt z'n werk niet te doen, verwijderen van beharing.
- Het verwijderen van het vrouwelijke segmentdelen rondom het genitaal.
- Het preparaat is hard geworden in de KOH oplossing omdat het te lang heeft gestaan.

Eenvoudige materialen

Veel materialen kunt u aanschaffen bij een speciaalzaak, maar de resterende gereedschappen dient u zelf te fabriceren. In hoofdlijnen is het volgende noodzakelijk.

Een binoculair. Stereomicroscoop met de typische werkspace onder de revolver door het ontbreken van de tafel. Met of zonder belichting, indien zonder, een sterke bureaulamp of koudlichtbron doet wonderen. Bij een bureaulamp kunt u het beste met zilverfolie de lichtbundel laten convergeren.
KOH, kaliumhydroxide. Verkrijgbaar bij een uitgebreide apotheker. Doorgaans als ronde pallets. Wat u moet weten van KOH is dat het een hygroscopische base is en reageert wanneer deze in contact komt met vochtigheid (water). Omdat de huid tamelijk vochtig is, zal de KOH onmiddellijk een bijtend effect hebben en zelfs delen van de opperhuid doen smelten. U kunt het beste oplossingen maken van 10%. Handschoenen zijn aanbevolen.
Alcohol, pure of 96%. Onder andere verkrijgbaar bij de Trekpleister.
Gedestilleerd water. Voor het reinigen van materialen.
Kleurstof, methyleen blauw & eosin yellow, e.a. Verkrijgbaar bij Vermandel, en twee verschillende typen: de blauwe kleur is hardnekkig en trekt diep in het preparaat (kleur verdwijnt matig in oplossingen met pure alcohol), terwijl de oranjeroze minder goed hecht en dus handig is voor lichte verkleuringen (verdwijnt zowaar volledig bij pure alcohol). Tal van andere kleuren mogelijk.
Entellan, het insluitmiddel, oftewel de lijm. Verkrijgbaar bij Vermandel. Er zijn talloze insluitmiddelen en al deze varianten werken weer wat anders.
Microscopie-pincet 'leopard'. Voor het grijpen van preparaten en het ‘afknippen' of ‘afknijpen' van abdominale segmenten bij opgespelde vlinders. Verkrijgbaar bij Vermandel.
Reageerbuizen / glazen buisjes. Hierin kunnen de lijfjes worden opgeweekt in de KOH, bijv. 5 reageerbuizen voor de verschillende oplossingen. Verkrijgbaar bij Vermandel.
Prepareerglaasjes. Verkrijgbaar bij Vermandel.
Dekglaasjes. Verkrijgbaar bij Vermandel.
Tissues.
Slanke insecten spelden, enkele van het maat 0, kunnen handig zijn. Verkrijgbaar bij Vermandel.
Satehprikkers lang
Minutienaalden van maat 0,20. Verkrijgbaar bij Vermandel.
Maak uw eigen gereedschap door bijv. minutie en gewone naalden op satehprikkers te bevestigen. Dergelijk materiaal is ook verkrijgbaar, of zelf ideeën bedenken.

Opweken van het genitaal

1. Breek het lijf af, liever met een pincet het lijf er af ‘knijpen' dan het er af tikken – gezien anders ook de ondervleugels mee kunnen afbreken. Dit kan zomaar, als de speld te ver onderin de thorax (oftewel de metathorax) is gestoken in plaats van in de prothorax.
2. Doe deze in een reageerbuis met 10% KOH oplossing en dus 90% gedestilleerd water.
3. Zet bovenaan de reageerbuis een wasknijper.
4. Neem een kleine thermosfles, en vul deze met warm water.
5. Hang de reageerbuis in de thermosfles, als het goed is dan zal deze er niet in vallen wegens de wasknijper (te breed voor de hals).
6. Dek de reageerbuis af met plastic folie, om verdamping te voorkomen en misschien dat de oplossing zo nog dagenlang gebruikt kan worden.
7. Controleer gedurende de 1,5 uur of de beharing grotendeels weggebeten is, en een geelachtige geweekte kleur zichtbaar wordt in het water. Het achterlijf moet nu grotendeels doorzichtig zijn.
8. Verwijder het achterlijf uit de vloeistof en controleer of het zacht is.
9. Leg het achterlijf op een stuk glas of plastic, vooraf schoongemaakt met alcohol.

Afronding

10. Doe het preparaat in eerst 30%, 60% en uiteindelijk 100% (of 96%) alcohol. Verwijder alle schubben en vuiltjes. Spoel dit weg en leg het preparaat telkens in een schoon stukje alcohol.
Haal het primaire onderdeel (1-2 laatste segmenten) weg door aan beide kanten met een scherp element zoals speldjes in te snijden en trek het los van het achterlijf. Bij kokermotten, Coleophoridae, kan je soms nog het beste het achterlijf laten zitten want deze vertonen veel kenmerken. De zogenaamde ductus en bursa trekken als het goed is vanzelf mee naar buiten. Zo niet, help deze dan een beetje naar buiten toe te drukken. Bij Elachistidae, grasmineermotten, is de bursa en ductus erg kwetsbaar en vaag zichtbaar, dus let op. Bij Scythrididae, dikkopmotten, is de ductus-bursa zo zwak, dat ze vrijwel in het begin al afbreken. Daar hier ook niet echt kenmerken aan zitten is dit ook niet een probleem.
11. Leg het preparaat van het genitaal in uiteindelijk een volle concentratie alcohol. Doe dit ook niet te snel, bouw het op zodat de alcohol er in trekt en goed ontsmet. Niemand wil na afloop een rottend preparaat! Bij wijfjes kunt u nog het beste de bursa even openmaken door een prikje en overtollig vocht er uit laten lopen. Vaak is het een stevige ballon vol viezigheid. Eenmaal leeg, dan komen allerlei kleine structuren en zo ook het signum in zicht.
12. U kunt het preparaat lichtjes kleuren, door een klein beetje kleurstof toe te voegen aan de alcohol.
13. Breng het preparaat in de juiste houding, alcohol heeft er al voor gezorgd dat de houding al aardig verstijfd is en werk nu alle luchtbellen enzovoort weg.
14. Leg op een glasplaatje een druppel insluitmiddel en wacht even tot het insluitmiddel lichtjes gedroogd is, leg dan het preparaat in de druppel op de juiste manier. Als u deze er met een speld in legt, zorg er dan voor dat deze brandschoon is. Leg het dekglaasje er op, schuin neerzakkend zodat eventuele luchtbellen wegtrekken. Bij sommige insluitmiddelen kunt u het de volgende dag pas doen, dat dekglaasje er op leggen. Luchtbellen? Soms kunt u de preparaten erg warm leggen, zodat luchtbellen langzaam verdwijnen. Dat is een oefening op zich. Voeg een etiket toe, eventueel met sticker en ken uw preparaat een eigen nummer toe: bijv. HVG-0001, of HVG2011-3.


Olethreutes arcuella (foto: A. Baas)

 

 

 

 


Argyrotaenia ljungiana
(foto: H. Bouter)

 

 

 

 

 


Pammene trauniana
(foto: A. den Ouden)

 

 

 

 

 


Dichrorampha aeratana
(foto: A. Alberts)

 

 

 

 

 


Ectoedemia subbimaculella
(foto: G. Sinnema)

 

 

 

 

 

Adaina microdactyla (foto: H. Bouter)

 

 

 

 

 


Argyresthia spinosella (foto: A. Baas)

 

 

 

 



Vrouwelijk genitaal

 

 

 

 

 


Coleophora lineolea, koker
(foto: R. Klesman)

 

 

 

 

 


Tortrix viridana (foto: A. Baas)

 

 

 

 

 

Adela croesella (foto: G. Sinnema)

 

 

 

 

 


Mompha subbistrigella
(foto: W. Moerland)

 
 
© All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.