|
| |
Dyseriocrania subpurpurella
|
 |
|
Vliegt overwegend in april, in de schemer en komt op licht. Bij eiken. De rood gekleurde soorten zijn lastig te determineren. |
Caloptilia elongella/betulicola
|
 |
|
Een tweetal oranje 'steltlopers' die op basis van het uiterlijk niet te determineren zijn.
C. elongella zit vooral op plaatsen met els. C. betulicola bij berkenopslag (talrijker op heiden).
Zie ook de andere Caloptilia-soorten, met lange poten. |
Calybites phasianipennella
|
 |
|
Eveneens een soort met verlengde poten, maar met talloze maanachtige vlekken over de voorvleugel. De foto toont de donkere vorm, zie hier voor de lichte vorm. |
Ypsolopha ustella
|
 |
|
Bruin, zandkleurig of bijna wittig; een zeer variabele soort die soms een gevlekt of gestreept tekeningpatroon kent.
De slanke vleugels, met spitse kop en vaak vooruit gerichte voelsprieten zijn karakteristiek. |
Agonopterix heracliana/ciliella
|
 |
|
Een vrij platte soort, door de vlak liggende vleugels. Een smalle kop met zeer gekromde en sikkelvormige palpen. Een tweetal witte vlekken op de vleugels; moeilijk van elkaar te onderscheiden. Zie de soortenpagina van A. heracliana voor uitleg. |
Agonopterix ocellana
|
 |
|
Net als de vorige soorten een vrij vlak ogende soort. Tamelijk groter, en er zit een rode streep in het middenste deel van de vleugel. Er zijn talloze andere vlakke soorten Agonopterix, wees alert. |
Mompha subbistrigella
|
 |
|
Een klein zwart vlindertje, met een tweetal witte dwarsbanden. Overwinterend bij kozijnen en in huizen, in het voorjaar actief wordend bij warmer weer. Vrij "dik" borststuk en smalle palpen. Er zijn ook bonte soortgenoten.
De soorten overwinteren. |
Acleris ferrugana/notana
|
 |
|
Wordt over het algemeen erg veel gezien. Overdag actief in het voorjaar, gemakkelijk op te jagen uit planten. Nogal oranje of geelwittige soorten die amper van elkaar te onderscheiden zijn. A. ferrugana is iets algemener dan A. notana. |
Acleris hastiana e.a.
|
 |
|
Een zéér variabele soort; kijk ook vooral bij de andere soorten uit het genus Acleris. Het zijn ongeveer 1 cm grote bladrollers in rusthouding, met grote vleugels in verhouding tot de kop. Bij de meeste soorten zijn de vleugels scherp eindigend. |
Tortricodes alternella
|
 |
|
Een slank en amper 1,5 cm groot vlindertje, vooral voorkomend in bossen. Gemakkelijk op te jagen. Vooral bruin van kleur, met een tal brede banden. Afgevlogen exemplaren met zeer vage banden; zij zijn bijna helemaal bruingrijzig. De vrouwtjes vliegen vooral 's nachts en hebben nog sterker getekende banden. |
Epinotia immundana
|
 |
|
Een van de talrijkere vroege bladrollers die de vleugel daksgewijs heeft staan. Variabel, let op de witte vlek op de "rug". Soms te verwarren met Pammene argyrana en P. giganteana, maar die hebben veel wittere vlekken en vliegen i.p.v. april meer in mei. |
Epermenia chaerophyrella
|
 |
|
Goed te herkennen aan de borstels op de "rug". Een krap 1 cm kleine soort, soms wat variabel. In het middenste deel ligt een bredere band. De uiteinden van de vleugels kent een brede franje. Andere soorten met borstels; zie ook andere Epermenia-soorten. |
Alucita hexadactyla
|
 |
|
Waaiermotje. Onmiskenbaar en algemeen, slechts met de zeer zeldzame soort die niet buiten het zuidelijke deel van Limburg is gezien. |
Diurnea fagella
|
 |
|
Een forse soort. Mannetjes granietkleurig wit-grijs gespikkeld en overdag laag rustend op boomstammen. Net geen 2 cm groot in rusthouding. Vrouwtjes met vleugelstompjes. Het komt soms voor dat de mannetjes volledig zwart zijn. |
Emmelina monodactyla
|
 |
|
Eén van de twee vedermotten die overwintert en dus in het voorjaar aan te treffen is. Volledig oranjebruin tot wittig bruin. Karakteristieke t-vorm in rust. |
Amblyptilia acanthadactyla
|
 |
|
De tweede vroege vedermotsoort; veel bonter gekleurd met een donkere driehoeksvlek op de voorste vleugel. |
| |
| |
| |