Snel zoeken
 
  Zoeken  
    Thumbnail index
    Zoek museum
    Zoek adult
    Zoek larve
    Zoek vraatsporen
    Zoek uitgebreid
  Overzichten  
    Soortenoverzicht
    Families
  Quick start  
    Vraatsporen
    Op onderzoek uit
    Algemene soorten
 
Microlepidoptera.nl > Soorten > Quick start: Vraatsporen  
Quick Start: planten en vraatsporen
 Informatie

Tijdens uw tocht door de tuin, of in het veld komt u soms met regelmaat van die aparte gangen en vlekken tegen op bladeren. Wat zijn het precies?
We noemen het bladmineerders, bestaande uit een groot aantal soorten uit diverse families als de vlinders (Lepidoptera), kevers (Coleoptera) en vliegen (Diptera) die vreten binnenin het blad. Het onderscheid is soms lastig. Bij vlindermineerders is er vooral een duidelijke kop aanwezig. Bij kevers is de kop soms voorzien van nadrukkelijke kaken en bij vliegenmaden of larven is deze kop dusdanig gereduceerd dat deze lijkt te ontbreken (Ellis, 2005a).
De meeste minerende vliegen komen uit het genus Agromyza. Een belangrijk onderscheid tussen deze soorten en vlindermineerders is vooral te vinden bij de frass of uitwerpselenspoor in deze mijnen. Bij vliegmineerders ligt deze frass doorgaans vaak in hoopjes, of ontbreekt volledig, bij vlinders is dit spoor doorgaans wat breder en minder onderbroken. Bij Agromyziden ligt de frass, tenminste in het begin van de mijn, in twee rijen korrels of sliertjes. Bij vlinders ligt de frass in een centrale lijn, die onderbroken kan zijn, en ook in boogjes kan liggen. Frass in boogjes komt uitsluiten bij vlinders voor.

Manieren van mineren

Vlinders als bladmineerders, dat zijn er toch wel wat. Vooral dwergmineermotten uit de familie Nepticulidae kent veel vertegenwoordigers die dunne gangmijnen maken. Ook hebben we de Tischeriidae, die vlekjes op de bladeren veroorzaken. Dan hebben we nog de gewone mineermotten of Gracillariidae. De grotere soorten (zoals Caloptilia en Parornix) uit deze familie beginnen één lob van een blad in te rollen zodat er kleine bladrollen ontstaan. Binnen deze familie is er nog een veel grotere groep, of vouwmijnmotten, veelal te vinden onder het genus Phyllonorycter. De meeste soorten uit dit genus maken kleine tentjes op de bladeren, vaak wat geribbeld met nerven, die wat bijeengetrokken lijken en dus vouwmijnen worden genoemd. Ook zijn er nog andere soorten die mineren, die blaasmijnen als resultaat hebben. Voorbeelden hiervan zijn de Eriocraniidae, kleine metallic vlinders waarvan de meeste soorten in mei berkenbladeren haast doorzichtig kunnen maken. Kleinere vlekmijntjes worden gemaakt door Coleophoridae of kokermotjes, waarbij de rupsen leven in kleine kokers en de rupsen zich voeden in het blad en daarbij ook mijnen creëren. De soorten werden ingedeeld in verschillende typen door Von Heinemann & Wocke (1877a), die vervolgens vertaald werden en nu bekend zijn als bijvoorbeeld het type pistoolzak, kokerzak, bladzak of lapjeszak.
Een globaal overzicht van enkele bekende voorbeelden van mineerders vindt u hiernaast, of zie Ellis (2005a: Lepidoptera).

Waar en wanneer zijn ze vooral te vinden?

Normaliter zijn er twee perioden waarin u kunt gaan zoeken naar de vraatsporen die worden nagelaten door bladminerende vlinders. Grosso modo treden vlindermijnen op in de nazomer en herfst, mijnen van de andere groepen hoofdzakelijk in de lente en voorzomer. De voorjaarsgeneratie van vlinders (en hun mijnen) is gewoonlijk klein, met Eriocraniidae als uitzondering.

In half mei en eind juni, en vervolgens vanaf begin oktober-half november. De meeste popoverwinteraars komen rond het voorjaar uit, waarna de eerste (rupsen)generatie in de voorzomer te vinden is. Deze generatie levert vlinders op, die er wederom voor zorgt dat er een rupsengeneratie is in de herfst. De beste periode om te gaan zoeken is wellicht oktober, wanneer er ook nog rupsen te vinden zijn.

In feite kunt u bladmineerders overal vinden, in uw tuin, in een park of bos en duinen. Bij bosgebieden kunnen de meeste soorten worden gevonden door te zoeken in jonge vegetaties, zoals langs (gevariërde) bosranden. Vegetaties met eik, lijsterbes, haagbeuk, wilg en hazelaar leveren de meeste soorten op. Soms zijn er ook soorten die leven op lagere planten, zoals hertshooi (Hypericum spp.).

Hoe te determineren?

Het overgroot deel van de bladmineerders zijn prima te determineren.
Wij verwijzen u naar de website Bladmineerders.nl van Willem Ellis, met een schat aan informatie over minderende vlinders, kevers, vliegen en andere insecten. Hier vindt u ook allerlei determinatiesleutels per waardplant, kenmerken per soort en heldere detailopnames. Via deze weg bent u vast in staat alvast wegwijs te worden met het determineren van de mineerders!

Hoofzakelijke kenmerken per 'type' mineerder

Een groot deel binnen de microlepidoptera leeft deels als mineerder. De jonge rupsen vreten zich een weg tussen de bladlagen, waardoor de typerende vraatsporen ontstaan op bladeren. Hierna verlaten enkele soorten het blad na mate zij volgroeid zijn, waarna zij zich onmiddelijk zullen gaan verpoppen. Een groot deel van de mineerders verpopt in de mijn zelf, zoals Phyllonorycters (Gracillariidae) of enkele Ectoedemia's (Nepticulidae).

Onderstaande families staan meer bekend als mineerders, enkele manieren van mineren zijn beschreven, met daarbij het genus of de soort genoemd die daar verantwoordelijk voor kan zijn.
Het overzicht moet een indicatie geven van de vele werkwijzen, omdat de tabel involledig is, is het geen determinatietabel.

Gracillariidae

Grote mijn op eik, ca. de helft of een derde van het blad in beslag nemend, witgrijzig en met smalle lange begingang

Acrocercops brongniardella

Bijna het hele blad gevouwd bijeen gesponnen, in een puntvorm waardoor een soort tentvormige vouw ontstaat. Vaak met rag

Caloptilia spec., Calybites phasianipennella, Euspilapteryx auroguttella

Bladrand wat gevouwen, vrij afgeplat en vastgesponnen

Parornix spec.

Bladrand ingerold, met rag nadrukkelijk vastgesponnen

Caloptilia spec.

Vlekmijn vrij midden op blad, wat vliesachtig en nooit helemaal doorschijnend

Callisto denticulella, Phyllonorycter spec.

Bladrand of deel van een blad wat gevouwen, tussen de bladlagen in de rups waardoor een vouwmijn zichtbaar wordt. Niet open

Phyllonorycter spec., Aspilapteryx tringipennella

Vlekmijnen, soms wat langwerpig, doen wat roestachtig aan, met circelachtige structuur

Cameraria ohridella

Coleophoridae

Vlekmijn, doorzichtig of niet, met zakje op de mijn of op het blad bevestigd.
Verlaten mijnen (zonder zak) met een klein rond uitkruipgaat in de mijn.

Coleophora spec., Metriotes lutarea, Goniodoma limo-niella

Bucculatricidae

Mijn vrij dicht tegen een nerf of aan de bladbasis, randen mijn meestal duidelijk donker, soms uiteinde breed en rond

Bucculatrix spec.

Onregelmatige vlekmijn met een of meerdere uitkruipgaten, doen denken aan Coleophora spec.

op Artemisia spp. (waard- plant): Bucculatrix noltei

Nepticulidae

[ involledig ]

Vaak gekenmerkt door zeer smal beginnende gang, langzaam breder wordend en frass centraal in de mijn, gangranden niet vaak donker

Stigmella spec.

Heldere vlekmijn met frass in rijen door de mijn, soms met smalle gangmijn aan het begin

Stigmella paradoxa e.a.

Meerdere gangen tegen elkaar of telkens om elkaar heen, spiraalachtige structuur

Stigmella viscerella e.a.

Gangen vaak met wat donkere zones, kronkelend, korter. Lastige diagnose t.o.v. Stigmella en Bucculatrixmijnen.

Ectoedemia spec.

Elachistidae

[involledig]

Mijnen vaak op grassen en/of rietsoorten, smalle gangen met frass

Elachista spec.

Cosmopterigidae

[involledig]

Vlekmijnen of gangmijnen op lage planten en hop e.a., mijnen niet erg doorzichtig, weinig frass, frass verspreid

Cosmopterix spec.

Momphidae

[involledig]

Doorzichtige en niet stevige mijn met doorgaans niet veel frass en dit verspreid door de mijn, rupsen niet afgeplat

Mompha spec.

Gangmijn Stigmella-achtig op Epilobium en Chamerion (waardplanten) e.a.

,, ,,

Eriocraniidae

Vestermijn op bladeren loofbomen, Quercus of Betula (waardplanten), met kettingachtige frass door de mijn

Eriocrania spec., Heringocrania unimaculella, Dyseriocrania subpurpurella

Tischeriidae

Vlekachtige mijn midden op blad, vooral Quercus (waardplant)

Tischeria spec.

Brede en onregelmatige vlekmijn met smallere begingang

Emmetia spec.

Heliozelidae

Zeer smalle vraatgang, later overgaand in een deel wat wordt uitgevreten, waardoor een wat ovaal gat ontstaat

Heliozela spec., Antispila spec.

Incurvariidae

Zie Heliozelidae, bij deze mijnen zijn de uitsnedingen vaak ronder

Incurvaria spec.

Andere mineerders

Opostegidae mineren vaak tegen plantenstelen, Oecophoridae, Gelechiidae en andere families kennen een aantal soorten die eerst mineren en de rupsen hierna vrij leven. Bepaalde Gelechiidae-rupsen maken soortgelijke mijnen als Momphidae. Ook Bedelliidae en Plutellidae (Digitivalva en Acrolepia) staan bekend om hun mineergedrag. Dergelijke mineergangen zijn via de website van Ellis (Bladmineerders) per waardplant op naam te brengen, het bovenstaand overzicht geeft kortzichtige informatie per genus die u niet bedoeld is als determinatietabel.

 
 Een gangmijn


De gangmijn veroorzaak door de rups van de veelal zeer algemene dwergmineermot Stigmella microtheriella op hazelaar (foto: T. Muus)


De rups van deze soort wordt niet langer dan tweëenhalve millimeter (foto: W. Ellis)


De vlinder heeft een spanwijdte van 3 millimeter (foto: team Microlepidoptera / © Naturalis)

 Type bladmineerders


 Determinatie-websites

Nederlandse Bladmineerders
British Leafminers
HantsMoths Nepticulidae
Phegea Gracillariidae
Global taxonomy Gracillariidae

 Auteurs

W.N. Ellis & T. Muus,
laatst bewerkt 26.v.2008.

 

 




 

    © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers